Genoten of genezen

Fietsen is een eenzame sport. Of je nu met z’n tweeën er opuit gaat of met een ploegje, je moet je benen toch zelf rond zien te krijgen. Een duwtje op het juiste moment mag dan helpen, of een stukkie slipstream je er nèt doorheen trekken, over de finish ga je in principe solo. Toch zijn er ook veel momenten waarop we écht het nodige met elkaar delen. Eigenlijk meer als je er even bij stil staat. Want er is meer dan wind tegen.

Links! Rechts! GODVERDOMME KLOOTZAK! De geschreeuwde verwensingen gaan langs me heen, maar zijn klodder spuug treft doel. Had ik maar op moeten letten. Het lage rugnummer dat wilde passeren ruimte geven. Wil nog naroepen dat ik ‘m nooit aan had horen komen, maar dat klinkt zo lullig. Op straat werkt dat, niet in een parcours.

Behalve met pittige woorden en een fluim maken rijders elkaar ook smerig met de nodige andere vuiligheden. Al dan niet opzettelijk.

Opspattende vette kleibrokken van de achterband voor je. Of een flats natte koeiendrek die geurend in je gezicht uiteen spettert. Of wegketsende stukken grind of brekende schelpen. Het komt allemaal wel een keer voorbij en treft ons allemaal.

Er komt veel meer op ons af, waar we eigenlijk niet zo bij stil staan, rijdend door bos, duin, over strand en asfalt. Van boven, van onderen, links en rechts, en in allerlei vormen, kleuren en geuren. Soms uit de natuur, soms van een ander.

Gratis van moedertje natuur: opspattend zout zeewater in je ogen. Knarsend strandzand  in de bek. Nat glijdend gras. In ’t gezicht zwiepende boomtakken van de man voor je. Handen snijdende rietstengels of huidscheurende bramentakken. Rottige bladeren in een bocht. Kiezels, maakt niet uit waar. Dunne mistregen die door alle kleding heen gaat. Dor gras dat je derailleur verstopt. Helle bliksem die je verontrust. Opgejaagde meeuwen die vliegend precies wit op je kop flatsen. Modder, prut, blubber, bagger. Platgereden hondendrol die in het profiel van je voorganger blijft plakken. Eventjes, en dan op je lip spettert. In je spaken springende dode tak. Toch te diepe kuil vol water. En natuurlijk wind. In alle soorten en maten. Uit het koude oosten, een muffe van je buurman.

Of afkomstig van jezelf: druipend snot over je lippen omlaag en lager. Kwijl langs je kin. Zweet dat je ogen in prikt. Veel te warm kruis. Rauwe bilnaad. Benauwd vieze scheet die maar om je heen blijft hangen. Je pisnatte broek omdat droogslingeren nu eenmaal niet gaat.

En van je buurman: ja, stop nu maar; we weten het wel met al die lichaamssappen enzo.

Als renner heb je niet alleen de strijd te kanaliseren wat van binnen komt (conditie, zin, energie) maar ook al deze net opgesomde ‘bedreigingen’ van buitenaf, van een ander. Dat alles, remt, smeert, vertraagt, glijdt je uit. Het komt binnen in je broek, sokken, schoenen, in je oren, lang nek en hals, onder je bril door en langs je helm. Wat je ook doet of probeert.

”Hee!”

Of ik genezen was. Of genoten had vandaag, met de modderige wedstrijd?

De vraag was retorisch, zo begreep ik, m’n gedachten ordende op deze onverwachte uitnodiging van een onbekende rijder.

Een uurtje later, rustig op weg terug in de auto, viel een tegeltjeswijsheid me in.

Het mooiste wat je kan delen, waar je elkaar toch mee ‘om de oren kan smijten’, zijn toch wel…

…vreugdetranen.

Maar die vorm van nattigheid, die emotie, zie je eigenlijk maar zelden voorbij komen. Dat dan weer niet.

Mountainbiker Henk van Zanten schrijft op deze plek regelmatig over het fietsen. Van heuvel tot strand, van zuid tot noord. Waarom uitdagingen moeten, tandwielen horen te knarsen en vriendschap zo’n mooie brandstof is. Bespreekt technische tips, praktijkervaringen en advies van tegenstanders en pelotongenoten. Hoe makkelijk het is op de fiets te stappen en wat weg te trappen. Dat alles met veel vaart èn humor. Want mountainbiken is gewoon overal goed voor!


IK DOE OOK MEE!

recente berichten